Het offer van Willem van G. VII

Gerhard had Johan voor het eerst lijfelijk ontmoet in Bremerhaven, Duitsland. De Alinka had al jaren haar eigen ligplaats aan de Fischereihaven, gelegen Am Seedeich. Vanaf het dek kon hij de kleine vliegtuigen zien komen en gaan van het naast de jachthaven gelegen vliegveld.
Johan was, zonder aankondiging vooraf ineens naar Bremerhaven afgereisd en had Gerhard pas na aankomst gebeld. Gerhard had geen moment geaarzeld en direct een taxi gebeld. Toen Gerhard café Claussens, aan de Obere Burger, een zijstraatje van de Columbusstraße naderde had hij getrild van de zenuwen. Eindelijk, na twee maanden chatten en mailen zou hij zijn Johan ontmoeten. 
Voor het café stonden twee mannen. De mannen praten luid met elkaar. Gerhard kon horen dat het over geld ging. De grootste van de twee, breed en met lang sliertig haar had de ander man, een stuk kleiner maar minstens even zwaar, met twee handen aan zijn vale spijkerjas vast. Toen de mannen Gerhard opmerkten zwegen zij. Het was alsof zij beiden even uit hun rol stapten en opkeken naar de regisseur, in afwachting van nieuwe aanwijzingen. En hij, Gerhard, was blijkbaar de regisseur. Gerhard hield zijn pas in en was een kort moment in volslagen paniek. Draaide hij zich nu om? Moest hij teruggaan en eerst maar even een straatje om? “He, jij!” De grootste van de twee liet de kleine man los en wees naar Gerhard. “Kom eens hier!”

Het offer van Willem van G. V

Gerhard typte nogmaals een bericht in: ‘Johan, ben je daar?’ Er kwam geen reactie. Het was al weer twee dagen geleden dat hij met Johan contact had gehad.. Gerhard klapte de laptop dicht en zuchtte. Hij luisterde even naar het klotsende water tegen de ‘Alinka’, zijn 12 meter lange zeiljacht. De Alinka lag nu al weer zeven maanden aan de westelijke oever van  zijkanaal D, de verbinding tussen de Nauernasche Vaart en het Noordzee Kanaal ongeveer halverwege Amsterdam en Beverwijk. Honderd meter lag hij van de jachthaven verwijderd. Zo kon hij wel gebruik maken van de faciliteiten van de haven, maar betaalde hij geen havengelden. De Alinka lag aangemeerd tegen de Angela II, een 30 meter lange klipper die, zo leek het althans, gerestaureerd werd. In de afgelopen zeven maanden had Gerhard echter nog nooit iemand op de Angela II gezien. Op het dek lagen houten masten, verstagingen en stonden allerhande blikken lak en verf. Zelfs een draaibank en een zaagtafel stonden al die tijd onbeheerd aan dek. Het was alsof de eigenaar ineens had besloten de Angela II te laten voor wat ze was. Om de Alinka te bereiken moest je eerst via een smalle plank van de kade naar de Angela II en vervolgens overstappen op de Alinka. Aangezien de Alinka de mast gestreken had, kon je haar vanaf de kade niet eens zien liggen. Alleen schippers van langsvarende schepen kenden het bestaan van de Alinka.

Het offer van Willem van G. VI

Gerhard zette de kleine draagbare televisie aan. Via een schotel aan dek had hij hier de beschikking over een aantal Duitse satelliet zenders, zijn enige contact met het thuisland. Hij keek echter niet. Gerhard dacht aan zijn Johan, de man die hem zeven maanden geleden had overgehaald om naar Nederland te komen. In de drie maanden daarvoor had Gerhard Johan leren kennen via dating site. Weken lang hadden zij berichten en foto’s naar elkaar verzonden. Uren, vooral in de vroege avond, hadden de twee mannen in het Engels met elkaar gechat. ‘My perfect German soldier’, zo was Johan Gerhard gaan noemen. Eerst waren er vooral de vragen van Johan geweest. Gerhard was in het begin nerveus geworden van al die vragen. De vragen van Johan waren vooral op uiterlijk gericht. Nooit had Johan gevraagd naar zijn voorkeuren, zijn karakter of zijn eigenschappen. Lengte, gewicht, haarkleur, littekens. Vooral dat had de interesse van Johan. Maar Johan had Gerhard ook aangetrokken. Johan was intelligent, was breed ontwikkelt en had gevoel voor humor. Daarnaast leken zij in veel opzichten op elkaar. Beiden waren bijna vijftig, beiden waren 1.80 meter en beiden waren ongeveer honderd kilo. Uiteindelijk was de haast obsessieve belangstelling voor maten gewichten van Johan over gegaan in een meer lijfelijk, erotisch contact.

Het offer van Willem van G. III

Die dag reed hij, zoals hij steeds vaker deed, na zijn werk naar de volkstuinen aan de rand van de stad. Langs de spoorlijn liep hij naar volkstuin nummer 34. Hij opende het smalle deurtje van het verveloze houten huisje. Hij hing het grote nog glimmende hangslot aan een spijker naast de deur. Binnen lag wat roestig tuingereedschap en er stond, onder het raam, een  nieuw, goedkoop bureautje. Tegen de wand stond verder nog een goedkope smalle kast, zo een die in een huurhuis standaard op iedere kamer staat. Verder was er niets.
Uit zijn tas pakte hij een fles Smirnoff en schonk het limonadeglas op het bureau halfvol. De fles zette hij, zonder dop, naast het glas. Hij keek door het kleine raam naar buiten. Zijn tuin was leeg. Dat wil zeggen, er groeide geen kruiden, groenten of fruit. Slechts onkruid en een verwilderde braamstruik. Zijn tuin stak schril af tegen de andere volkstuinen. Deze waren stuk voor stuk zeer goed onderhouden en stonden in dit jaargetijde vol met verse groenten,  kruiden, aardappelen en fruit. Hij wist dat hij een doorn in het oog van de andere tuin bezitters was maar het kon hem niet schelen. Hij had deze tuin slechts gehuurd als toevluchtsoord en ter voorbereiding. Nu, na bijna een vol jaar voorbereiding was hij zo goed als klaar en zou hij spoedig geen nut meer hebben voor deze plek.

Het offer van Willem van G. IV

Hij schonk het glas nogmaals halfvol en stond op om de kast te openen. Hij wierp een blik op de koffer die op de bodem van de kast stond en besloot deze te laten voor wat het was. De kast had drie planken, op de bovenste lag een donkerbruine schoenendoos van het merk ‘Buffeloo”. Hij pakte de doos en inspecteerde, voor misschien wel de honderdste keer de inhoud. Een zak vette watten, 3 ampullen Insuline, één injectienaald met spuit van 3ml, een flesje GBH en vijf envelopjes met ieder een halve gram cocaïne. Het moest genoeg zijn dacht hij gerustgesteld en sloot de doos weer zorgvuldig, zette hem terug op de bovenste plank en nam een flinke slok uit zijn glas.
Op de plank eronder lag een grote gele A4 envelop. Hij ging er even met zijn hand overheen. Hij wist wat de inhoud was en voelde geen behoefte de inhoud te bekijken.
Nog vier dagen dacht hij. Nog vier dagen en Johan van der Graaf, huurder van volkstuin nummer 34 zou nooit meer op zijn tuin verschijnen. De huur zou niet meer worden betaald en op brieven zou niet worden geantwoord. Het telefoonnummer welke was opgegeven bij de inschrijving zou niet blijken te bestaan en Johan van der Graaf zou voor altijd onvindbaar blijken.
Niemand die zou weten dat hij, Wim van Gastelen, alles hier tot in de puntjes had voorbereid. Hij glimlachte, nam de laatste slok wodka uit het glas en zette de fles in de kast naast de schoenendoos. Hij keek nogmaals rond, pakte het hangslot en deed de deur zorgvuldig achter zich op slot. De sleutel stopte hij in zijn zwarte laptoptas.

Het offer van Willem van G. II

“Please sir, I want you to think very carefully before you give me an answer.” “Are you, or aren’t you Wilhelm Frederik van Gastelen?” Hij voelde opnieuw een pijnscheut door zijn onderlichaam. “Auw!!.” Hij schreeuwde het uit van de pijn. Zwijgen moest hij. Zwijgen zou hij. Opnieuw hoorde hij de indringende zoem van het apparaat op de tafel waaraan hij met twee metalen draden was verbonden. “Auuww,  hou op godverdomme!!” De brandende pijn schoot van zijn liezen naar zijn rug. De pijn was zo hels dat hij het bewustzijn dreigde te verliezen. De kamer draaide om hem heen, de stemmen klonken hol en steeds verder weg. Hij zakte weg in een zwart gat. Dieper en dieper viel hij. Gewichtloos en vrij. “Wim!” “Willem!!” Hij opende zijn ogen en zag Cécile, half zittend aan de andere zijde van het bed.  “Je wekker gaat!” Hij mompelde ‘ok, ok’ en pakte zijn mobiele telefoon die als wekker dienst deed om de zoemer te stoppen. Pas nu viel hem op hoe erg hij transpireerde. Hij trachtte met zijn lippen zijn mond te bevochtigen, maar ook zijn tong was droog als doek. Hijgend liet hij zich terugzakken in zijn kussen. “Je drinkt te veel Wim!” Hij hoorde het Cécile zeggen. Zonder boosheid, alleen nadrukkelijk. Als de constatering van een feit. “En dat moet je verder helemaal zelf weten, maar ik wil er geen last van hebben hoor je?”
Hij stapte uit bed, nam een douche en liep naar buiten. Nog vier dagen, zo hield hij zich zelf voor. Nog vier dagen en dan zou dit onherroepelijk eindigen. En hoewel zijn nachten steeds zwaarder werden waren zijn dagen, naarmate de grote dag naderde, steeds meer een bevrijding.
Nog vier dagen en dit leven was klaar.

Het offer van Willem van G.

Hij kon naarmate zijn dood dichterbij kwam steeds minder goed in slaap komen. Op de klok naast zijn bed kon hij zien dat het bijna één uur was. Het was een heldere, warme nacht. Volle maan. Naast hem draaide Cécile zich in haar slaap van hem af. Ze haalde een keer diep adem, mompelde een paar woorden in haar slaap en droomde verder.
Cécile. Ze werd slechts tot haar heupen bedekt door het dekbed. Op haar blote rug zag hij de witte sporen van haar bikini. Haar halflange blonde haar lag in een waaier op haar hoofdkussen. Donker aan de wortel en steeds blonder daar waar de zon het had gebleekt. Hij vroeg zich af wanneer hij en Cécile voor het laatst intiem waren geweest. Was het een maand geleden, twee maanden? Hij wist het eigenlijk niet meer. Steeds vaker ging Cécile na een korte groet om een uur of tien, half elf naar boven en bleef hij beneden. Steeds vaker dronk hij daarna meer dan goed voor hem was. Het bracht hem geen troost, geen genot maar maakte wel dat hij kon slapen.

Opnieuw vroeg hij zich af of alles nu goed geregeld was. Had hij echt aan alles gedacht? Had hij echt geen blinde vlekken? Zag hij niets over het hoofd? Terwijl hij voor de zoveelste keer de hem zelf geregisseerde film in gedachten afdraaide viel hij in een rusteloze slaap.

De Zandhorst

Eindelijk was het dan zo ver. Hij zou per volgende week beginnen aan de opleiding en de eerste zeven maanden had hij een kamer kunnen huren op het terrein van De Zandhorst. Zijn kamer was in een niet langer door patiënten gebruikte vleugel en was met een glazen deur verbonden met ‘Het Preathuis’; een soort van koffie huisje midden op het terrein waar patiënten koffie, snoep, maar vooral sigaretten en goedkope shag konden kopen.
Hij zette de motor van het gehuurde busje uit en keek een ogenblik naar buiten. “Zo, daar ga je dan jongen”, sprak hij hardop tegen zichzelf. Ondanks dat over twee dagen al oktober zou zijn was het warm en vochtig. Het versjouwen van zijn inboedel naar de eerste verdieping was een vermoeiende en vooral zweterige aangelegenheid. Nadat hij zijn stereo, computer, boeken en zaken die in de koelkast moesten naar boven had gebracht besloot hij, alvorens met zijn kleding en beddengoed te gaan zeulen, een koude cola light te drinken in Het Preathuis.

Het rook naar ongewassen mensen en asbakken in Het Preathuis. Binnen waren een vijftal tafeltjes bezet. Een deel van de gasten spraken zeer luid, sommigen leken het ook tegen niemand in het bijzonder te hebben. Anderen zwegen. De meesten rookten in een ongezond hoog tempo.
Hij nam plaats aan de houten bar en bestelde zijn drankje. Hij had niet de behoefte sterk op te vallen in deze nieuwe omgeving en keek daarom strak naar zijn glas.
“Nieuw hier??! De grof gebouwde, vervaarlijk bebaarde man naast hem had hem met luide stem aangesproken. “Waar zit je?!?!?”, het klonk meer als een militair bevel dan als een vraag. Hij keek vluchtig opzij en antwoordde dat hij de opleiding deed en de eerste periode op het terrein een kamer had. Hierna wierp hij een bijna smekende blik richting de barjuffrouw, in een poging bij haar te peilen of dit wel goed ging komen.

“Weet je wat ik wel zou willen!!!!’, baardmans stem bulderde nu door Het Preathuis. “Ehh…, nou, nee?”, antwoordde hij zacht. “Dat er een grote homo kwam die mij in mijn kont neukte en daarna wurgde!!!” De man met de baard keek hem doordringend aan. Hij voelde zweetdruppels sporen op zijn voorhoofd trekken. “Is dat niks voor jou???!!”, vroeg de man hem, nog steeds met luide stem.
“Ehhh, nou, nee..dank je”, hij sprak zacht en keek nu wanhopig naar de vrouw achter de bar die op geen enkele manier ook maar een spoor van verbazing, medeleven of hulpvaardigheid uitstraalde.
“Oh.” De man met baard draaide een nieuw shaggie en had blijkbaar zijn interesse in hem verloren.

Hij rekende zijn cola af en liep door de deur, de trap op naar zijn kamer. In de gang stond een vrouw met een dikke jas, onverzorgd haar en op blote voeten bij zijn geopende ijskast. Zij dronk melk uit het karton. Zijn karton. “Hallo!!”, sprak hij geïrriteerd, “Dat is mijn melk!!” De vrouw dronk rustig door tot het pak leeg was. Daarna veegde zij de melksporen aan de mouw van haar jas. “Ik ben wel diabeet ja”, zei ze kalm en slofte de gang uit, hem verbijsterd achterlatend.

Even had hij de neiging moeten onderdrukken zijn spullen terug in de auto te zetten en ver weg van hier te gaan.

Onder de Eikenboom III

Rosalinda van der Meulen was bij de meeste huisgenoten en bezoekers alleen bekend als “Roosje”. Dit paste ook veel beter bij haar. Roosje was klein, had donkerrood geverfd haar en een klein bleek gezicht. Roosje was altijd directiesecretaresse geweest. Nog altijd had zij de neiging om alles te regelen. Roosje was nooit getrouwd geweest, en had geen kinderen. Roosje had ogen die konden dwingen. Zelfs haar huisgenoten in Onder de Eikenboom hadden een onuitgesproken respect voor Roosje.
Haar anders zo heldere ogen zagen troebel. Onder aan haar kin bungelde een traan. Roosje stond in de erker van de ‘kleine huiskamer’ van Eikenboom en staarde naar de besneeuwde tuin aan de achterkant van het huis. Roosje deed dat wel vaker. Zich afzonderen en zachtjes huilen terwijl zij haar gezicht alleen aan de van spekbollen pikkende mussen liet zien. Niemand wist wat er zich op zulke momenten in Roosje haar hoofd afspeelde. Het was ook nog nooit iemand gelukt haar daarover te spreken. Op de vraag “Wat is er Roos?” reageerde zij alleen door te zwijgen, haar zakdoek te pakken en de ogen te drogen. “Niets”, was alles wat Roosje er over kwijt wilde.

Roos haar blik was wel op de tuin gericht, maar eigenlijk keek zij niet. Dat wil zeggen, de ogen van Roos bewogen niet mee met de veranderingen die buiten in het beeld plaatsvonden. Roos zag geen vogels en volgde geen sneeuwvlokken op hun slingerende weg naar beneden. Roos stond daar en huilde.
Roos haalde nogmaals haar zakdoek langs haar gezicht, zuchtte diep en prevelde onhoorbaar een paar woorden.

Zij stopte het kleine, bezoedelde fotootje welke zij in haar linkerhand geklemd had terug in haar tas en liep met voorzichtige tred terug naar de grote huiskamer.


Geplaatst door Berend Quest op Berend Schrijft op 12/18/2009 01:15:00 AM

Onder de Eikenboom II

Jacob en Elisabeth van der Vrede waren samen in Onder de Eikenboom geplaatst. Niet vrijwillig. Totaal vervuild waren zij uit het Haarlemse arbeidershuisje gehaald. Bij het leegruimen van de woning had de brandweer een grote hoeveelheid geld gevonden, verstopt op de vreemdste plaatsen. Dat was maar goed ook, want verzekerd waren zij niet. En Jacob, die onder de vreemde uitslag zat, moest een dure behandeling ondergaan.
“Ohhhhh….Here die daar boven waakt, schenk mij gul Uw kracht..” Met lange uithalen, geheven handen en statige tred danste Elisabeth door de kamer. Jacob siste haar toe vanachter de tafel. Dat ze moest gaan zitten. “Ach Cor”, sprak Liesbeth met liefde in haar ogen. “De mensen gaan zo naar huis, rustig maar.” Jacob begon te proesten en hoesten toen hij Elisabeth opnieuw, en nu luider, naar de tafel wilde manen. Elisabeth, die feilloos aanvoelde wanneer het haar Cor te veel werd, trad kordaat op. Midden in de huiskamer bleef zij staan en sprak op luide en duidelijke toon:”Lieve dames en heren, wij vonden het echt heel gezellig dat u langskwam, maar het wordt tijd dat u weer naar uw eigen huis gaat.” “Cor en ik moeten nog boodschappen doen en de kinderen komen zo uit school.”

Alhoewel men in Onder de Eikenboom wel wat gewend was werd er toch gereageerd. Hendrik Olieslager begon vals te lachen en mompelde dat hij een hekel aan kinderen had. Tante Jo, de 93 jarige nog overgebleven helft van een tweeling, riep dat een goede moeder warme melk klaarmaakte wanneer haar kinderen thuiskwamen in de winter. Daarna riep tante Jo luidkeels om de zuster. “Zusterrrrrr!!!!” “Zuuuusterrrrr!!” Het geroep van tante Jo werd niet gehoord. Tenminste, niet door een zuster. Meneer van Dam werd wakker van het ge-zuster van tante Jo en begon een vrolijk wijsje. “Weet je wat een aap op zee doet? Zich vlooien, uit weemoed.” Meneer Rutte, tafelgenoot van meneer van Dam begon te schelden: “Houdt toch je bek vuile NSB-er!!” “Zusterrrrrrrr!!!”, gilde tante Jo nu. “Weet je wat een aap op zee doet, zich vlooien in de wind!”

Jacob van der Vrede sloeg de handen voor zijn ogen. “Ga nou zitten Lies.” “Gaat nou godverdomme eindelijk eens zitten!!!”


Geplaatst door Berend Quest op Berend Schrijft op 12/18/2009 01:14:00 AM